MSN - Moeders snappen niks! Jarenlang maakte ze met haar vriendinnetjes de buurt gezellig
onveilig met stoepkrijt, skates, hutten, balspelletjes en enthousiast
meidengejoel. Maar op een dag werd alles anders. Vier jaar geleden. Het groepje van 5 heeft elkaar als vanouds
van huis gehaald en een poosje babbelend door de buurt gekuierd. Nee, geen zin
meer in stoepkrijten, hinkelen of verstoppertje. Daarvoor voelen ze zich nu
echt te groot!
Na een half uurtje komt Elze (11) al weer naar binnen. Op mijn verbaasde blik
reageert ze met de historische woorden: ‘We weten niks meer te zeggen .... we gaan maar op MSN!’ Ik schiet in de lach. ‘Op MSN?? En weet je daar dan nog wèl
wat te zeggen? Is dat nou gezellig, allemaal in je eentje thuis achter een
computer? Samen is toch veel leuker? Buiten is toch veel lekkerder? Het is zulk
heerlijk weer!’ Ongeduldig schouderophalen, wanhopige blik ten hemel, zucht.
Moeders! ‘Mam, dat snap jij toch niet! Laat me nou maar!’ En sindsdien is er een MSN-wereld opengegaan, of liever
gezegd binnengeslopen. Inmiddels is Elze 15. Haar PC staat beneden. Daarachter
leeft ze een eigen leventje. Nooit een typediploma gehaald, maar evengoed
ratelen de toetsen op topsnelheid. Om tussen de huiswerkbedrijven door te chatten met joost-mag-weten-wie allemaal
tegelijk. Op haar gezicht de bijbehorende uitdrukkingen, meestal een grijns, af
en toe een grinnik. Om de minuut een pliepgeluidje dat er weer een antwoord
binnen is. Snel kijken! Die samenvatting maken komt dadelijk wel weer. Doppen
met muziek in haar oren. Hoe je op die manier je huiswerk kan maken? Het is mij
een raadsel, maar haar rapporten zijn tot nu toe in orde. Zolang krijgt ze het
voordeel van de twijfel. ‘We doen samen ons
huiswerk mam! We vragen elkaar dingetjes en zo!’ Aha ... ‘Hé Elze, mag ik ook mee lachen?’ vraag ik bij het zoveelste
lachsalvo. Een verstrooide blik opzij van oh, zit jij er ook nog? Dan gauw terug
haar www.wereldje in. Via de webcam laten ze elkaar foto’s uit hun kinderalbum
zien. Een jongen uit haar klas schrijft haar hartveroverende taal, veilig
achter zijn beeldscherm. Daar geeft het niet dat hij een kop kleiner is dan
zij. Maar de volgende dag in de klas durft hij haar nog niet eens te vragen hoe
laat het is! Na school stikt ze van de lach met haar vriendinnen op MSN. Dan moet ze voor godsdienst de verschillen tussen een aantal
toekomstvisies onderzoeken. Haar groepje ‘doet’ new age, astrologie en tarot,
en Elze neemt Openbaring voor haar rekening. Niet de slechtste keuze, denk ik
stiekem. Maar wel een lastige. En jawel. Ineens hoort mam wèl bij de on line
club! Elze bestookt me met duizend vragen en wisselt ijverig de antwoorden met
haar groepje via MSN. Aan de veelvuldige pliepjes te horen wordt er aan de
andere kant actief meegedacht. Nog meer vragen! Ik laat haar in de Bijbel
duiken en in een tekst voor tekst verklaring, want moeder gaat natuurlijk niet
alles souffleren. Het werkstuk levert een 8 op. Nieuwsgierig blader ik het
door. ‘God staat achter de mensen en
houdt van ze!’ hebben ze in de
conclusie geschreven. Ik knik voldaan. Waar MSN al goed voor is … ! Ach joh, je speelt toch niet met die sukkel? Nu de episode achter de rug is, halen we opgelucht adem. We
zijn door een benauwde flessenhals gekropen met onze zoon van 10. In korte tijd veranderde
Tim van een vrolijke boy die altijd opgewekt zwaaiend naar school fietste, in
een somber kereltje dat in bed huilde en tegen de volgende schooldag opzag. Ik begrijp uit het verhaal dat zijn twee vriendjes hebben
gekozen voor ‘verkering’ met de twee dames die het in de klas voor het zeggen
hebben. Bijvoorbeeld over wie er wel en niet mag meedoen met tikkertje in de
pauze. ‘Nou vooruit, voor deze keer dan, omdat het de laatste vrijdag voor de
vakantie is … ‘ krijgt Tim te horen. Mijn klomp breekt en ik lach ongelovig …
dat is toch te erg? Hoe kan het dat alle kinderen zich laten aanleunen dat twee
van hen de klas in tweeën splitsen? De jongetjes doen alles om in het gevlei te
komen en vooral, om erin te blijven. Desnoods verloochenen ze een vriendschap … ‘Ach joh, je speelt toch niet met die sukkel?’ zegt een
omhoog gevallen dametje in de klas. Vriendje schudt zijn hoofd, maar doet een
schichtige knipoog naar Tim, om zijn gezicht nog te redden. Die weet zo
langzamerhand niet meer wat hij aan zijn kameraad heeft. De negatieve
fluistercampagne begint z’n wrange vruchten af te werpen. Er is geen grip op te
krijgen. Thuis spoor ik Tim aan, zich te richten op andere jongens in zijn klas
en de pestclub links te laten liggen. Dat probeert hij uit alle macht, maar ze
zoeken hem op en lopen vervolgens
demonstratief met een boog om hem heen, ‘vanwege de luizen’. Werken aan weerbaarheid, heb ik ergens gelezen. Hoe, vraag ik
me opstandig af! Hoe moet hij zich verweren tegen zulke zinloze messteken als
‘Hé watje! Je hebt een meidengezicht!’ Terugschelden? Openlijke vijandigheid?
Dat lost niks op. En ik wil trouwens helemaal niet dat mijn kind een gevoelloze
eeltlaag om zijn hart legt. Hij kan juist nog zo heerlijk ongerept en ongeremd voelen. Wat zou het prachtig zijn als
hij ook als groot mens zo kon blijven. Maar nu deelt het leven de eerste
klappen uit. Ik houd mijn hart vast. Tot nu toe liep het allemaal zo makkelijk.
Haantje de voorste, lessen een makkie, altijd ’t eerste klaar, nooit om een
weerwoord verlegen, langste benen, snelste met tikkertje … misschien keren
juist die elementen zich nu wel tegen hem. In elk geval wordt hij door twee
dametjes in de groep niet meer gepruimd. Te bijdehand? Te weinig onder de
indruk van hun ontluikende charmes? Te ongenadig en te openlijk in zijn
commentaar op hun fluisterpraatjes en sterallures? Hoe het ook zij, Tim begint nu tekenen van afbrokkelend
zelfvertrouwen te vertonen. Mijn maag krimpt ineen als ik hem overloop, terwijl
hij zichzelf ernstig in de spiegel staat te bestuderen. ‘Zie ik er wel leuk
uit, mam? Ik heb toch geen luizen?’ Welnee kerel! Flauwe pesterij. Ik haal mijn
hand door zijn mooie haarbos. ‘Heb ik een meisjesgezicht, mam? Dat zegt Ron’.
Boos-verbaasd kijk ik naar zijn spiegelbeeld. Mijn moederhart staat op! Wie
durft er een nadelig woord te zeggen over mijn zoon? Met z’n prachtig bruine,
perzikgave huid, z’n blonde haar en blauwe ogen. Het is duidelijk, hier zijn
een paar jaloerse plaaggeesten een boel onzin aan het bedenken om mijn kind
onderuit te halen. Wat te doen? De vriendjes die nu heulen met de dames, zaten
nog maar enkele weken geleden regelmatig gezellig babbelend bij ons aan tafel. Tim
haalde ze trouw elke ochtend op. Totdat ze plotseling ‘anders’ gingen doen. ’s
Avonds elf uur. Een enorme huilbui. ‘Het is al zo láng mam, en ik kan er niet
meer tegen’ zegt ’ie daarna vreemd kalm. Alle alarmbellen in mijn hoofd
rinkelen. Vechtlust! Dit moet stoppen! Het is zo redeloos, zo onbegrijpelijk
flauw, maar tegelijk zo gemeen en destructief. De volgende dag bel ik de moeder van een van de vriendjes op.
Ik vertel haar dat ik me zorgen maak over onze jongens en stort het hele
verhaal in haar schoot. Ze is verontwaardigd. Wist van niets. Had alleen
gemerkt dat Tim haar zoon niet meer kwam ophalen. Ze gaat het gesprek aan –
jazeker, behoedzaam, maar wel duidelijk en vandaag nog! Het gewicht op mijn
borst is weg. De volgende dag tussen de middag: ‘Mam, goed nieuws! Ron
heeft sorry gezegd en dat ’ie ermee stopt. En dat ik zeker wel een paar rotte
weken heb gehad? En dat hij tegen Ralf ook zal zeggen dat die ermee moet
stoppen!’ Hoe grillig kunnen kinderen van tien jaar zijn, als het om hun plekje
in de groep gaat. Wat is er weinig voor nodig om een kind ongelukkig te maken.
Twee vriendjes besloten Tim niet meer aardig te vinden en dat was dan dat. Het
gevolg was a hell of a time voor hem.
Ze hebben nu besloten weer ‘goed’ tegen hem te zijn, en dat is dan dat. En Tim
gaat weer opgewekt naar school. Ik verzucht ‘dank U wel Heer …’ en doe even mijn ogen dicht.
Wat een kwetsbaar bezit, kinderen. Kan ik dat zien op een plaatje? Hoe leg je een kleuter uit wat het koninkrijk van God is? Ik
dacht het wel te weten: hem alle Bijbelverhalen inprenten, dagelijks bidden en
op zondag samen zingen, luisteren en 'werken' over de Bijbel. En dan zal hij
het toch wel zo'n beetje snappen, allemaal? Zo simpel werkt het niet, in elk geval niet bij onze Benjamin
(5). Iedereen kan hem wel van alles vertellen, maar het gaat in het leven om
harde bewijzen! Nieuwsgierig drinkt hij de wereld in met al zijn zintuigen.
Zijn hersens draaien op volle toeren en willen voor alles een verklaring. Met Pasen vraagt hij zakelijk: 'Heb jij een plaatje, dat ik
die gaten kan zien?' En: 'Waarom kan God ons wèl zien, maar wij Hem niet?' Hoe leg je nou uit dat het geloof nou juist het bewijs
is van iets dat je niet ziet? De
kinderlogica vat dat niet. Kinderen willen handvatten, tastbare bewijzen dat
het werkt. Dat je kan zeggen: zie je nou wel? En ter onderstreping
het liefst een wonder op z’n tijd; zo eentje als toen Jezus nog in levende
onder de mensen was. Aan tafel komt het gesprek op iemand die ernstig ziek is. We
leggen in kindertaal uit dat er in deze wereld nu nog lijden is, maar dat er
een tijd komt dat er geen oorlog, boosheid, ziekte of pijn meer zullen zijn.
Dat de Heer heeft beloofd dat Hij alle tranen van de ogen zal afdrogen. En dat
de duivel en zijn hele leger zullen zijn overwonnen. Benjamin weer: 'Kan ik dat zien op een plaatje?' 'Nee, Benjamin'. 'Maar je kan het toch wel tékenen? En dan moet je Jezus
tekenen met hele dikke spierballen!' Tim (13) is naar een spetterende jeugdmeeting geweest. Gave
muziek, leuke workshops en een spreker die startte met de gevleugelde woorden:
'Jullie gaan hier niet onveranderd
vandaan!' Tim had zijn wenkbrauwen opgetrokken. Wat gaat hier gebeuren?
Is dat gevaarlijk? Of juist mooi? Maar vervolgens had hij zich onbevangen in het gewoel gestort,
zich 's middags uitgeleefd in een schilderworkshop en 's avonds aan de lippen
van de spreker gehangen. Aan 't eind werd een oproep gedaan, en een groot
aantal jongeren ging naar voren om te knielen voor gebed. 'Ben jij ook naar voren gegaan, Tim?' 'Nee, maar ik twijfelde wèl …' 'Hoezo dan?' Nadenkende frons. 'Ja … kwenie … ik hoor natuurlijk al bij
Jezus, maar het is toch anders, als je groter wordt … het komt toch dichterbij
je, op zo'n dag. Dat je ècht zèlf moet kiezen. Misschien ga ik de volgende keer
wel … Dat je veranderd weg gaat … ik geloof toch wel dat het waar is.' Ons hart maakte een sprongetje. We weten heel goed dat het
voor een persoonlijke relatie met Jezus niet genoeg is om het evangelie met de
paplepel ingegoten te krijgen. Dit is nu zo'n kostbare, eigen
ervaring voor onze oudste. Op school had de docente Godsdienst het zevende uur geen zin
meer in lesgeven en de klas geen zin meer in les krijgen. Ze had met de benen
op tafel een boom opgezet over de geestelijke wereld. Er ontspon zich een
openhartig gesprek in de klas, waarbij allerlei ervaringen met het onzienlijke
langs kwamen. Geesten oproepen, glaasje draaien, maar ook het krachtdadig
ingrijpen van goede engelen. De docente had de tieners gewaarschuwd, dat
occulte praktijken niet vrijblijvend zijn. Ze had er een getuigenis van een
ervaring met goede engelen tegenover gezet. Ik dankte de hemel voor zo'n
docente. Dit gesprek heeft ongetwijfeld meer impact op haar leerlingen gehad
dan tien gewone lessen! Tim wil meer weten over de goede engelen. Ik zeg dat
tweederde van de hemelse legerschare aan onze
kant staat en door God wordt uitgezonden om Zijn kinderen te dienen. Ik vertel
hem over iemand die wij kennen, hoe ze op haar fiets haar evenwicht verloor en
onder een aanstormende auto dreigde te komen. Hoe onzichtbare, sterke handen
haar halverwege de val opvingen en weer rechtop hielpen. Dat elk kind een engel
'heeft', die dag en nacht het aangezicht van God ziet.
Tim laat
het langzaam tot zich doordringen. 'Goed dat ik dat weet mam. Maar ik moet er
wel in geloven hè, anders werkt het
niet, uh, hij niet.' |



